De loodskotter

klassieke kotter

Het herbouwen van een 19de-eeuwse loodskotter

Kotters werden van de 17de tot de 19de eeuw bij ons gebouwd, maar ook in de buurlanden. Die houten zeilvaartuigen zijn niet alleen gebouwd en ingezet als loodsboten, maar ook als vissersschepen. Zelfs bij de marine waren kotters goed bekend. Een kotter was een wendbare en vlotte zeiler met een zeiloppervlak van 140 m²

De vzw De Scute wou met haar keuze voor het herbouwen van een loodskotter ook de vele Vlaamse vissers huldigen die door de eeuwen heen, als loodsen, vreemde koopvaardijschepen en ook wel eens militaire vloten veilig tussen de Vlaamse banken voor onze kust hebben geleid.

In 2000 begonnen de vrijwilligers van de vzw De Scute op initiatief van Daniël Bossier al aan een nieuwe replica van een historisch schip: een 19de-eeuwse loodskotter.

Door een dringende renovatie van de Blankenbergse schuit B1 Sint-Pieter en bij gebrek aan middelen werd enkel de romp gedeeltelijk gerealiseerd.

De hele structuur van de kotter wordt gedragen door in de juiste vorm gekapte middenbalken. Die lopen van de achtersteven tot de voorsteven, over de kiel. Daarop zijn de 38 stevige eiken spanten aangebracht die de uiteindelijke vorm van de romp bepalen. Bovenaan zijn de dekbalken en het dek aangebracht. Het dek is in oregonplanken gelegd.

De romp werd verbouwd tot een ontmoetings- en vergaderruimte.

Technische gegevens

  • Lengte : 16,6 m– breedte:4,5 m – diepgang: 2,60 m
  • Zeiloppervlakte: 140 m2
  • Aantal bemanningsleden : 4 à 5
  • Loodsen : 4

Loods, een eeuwenoud beroep

Het beroep van loods, zeelieden die schepen tussen de Vlaamse banken en naar de achterliggende havens leidden, is ook bij ons  eeuwenlang bekend. In de middeleeuwen  loodsten  vaak vissers schepen naar een veilige haven. Kapiteins van koggen, kraken, hulken of andere vrachtschepen van die tijd zette soms een roeiboot uit naar het dichtste vissersdorp op zoek naar een schipper of stuurman die hun schip doorheen de Vlaamse banken naar zijn bestemming kon loodsen.

 

Loodsboten

In de tweede helft van de 19de eeuw zetten zowel de Nederlandse als de Belgische loodsdiensten meestal drie types van loodsboten in: schoeners, Dundee kotters en klassieke kotters.

 

Schoeners waren snelle en gemakkelijk te maneuvreren tweemasters . Hun lengte schommelde tussen de 22m en 30m voor een  breedte van ruim 6m. Naast de bemanning verbleven 8 loodsen aan boord van deze ranke zeilschepen. Dundee kotters, eveneens tweemasters maar kleiner, zette men ook in. Naast de bemanning was daar slechts plaats voor vier loodsen.

Van die grote loodsboten lagen er permanent 12 op zee. Ze wachtten op diverse plaatsen aan de Engelse zuidkust en zelfs in de buurt van het eiland Wight op de schepen die uit het westen en het zuiden kwamen aanzeilen. Andere lagen voor Walcheren en zelfs voor de Waddeneilanden om tijdig de schepen uit Schotland, Duitsland en de Scandinavische landen in het oog te krijgen.

Door de onderlinge concurrentie bleven ze niet passief wachten tot een schip een loods vroeg, maar gingen hun diensten zelf aanbieden. Roeiboten brachten de loodsen aan boord. Wanneer loodsboten gelijktijdig aankwamen, mondde het vaak uit in een roeiwedstrijd, ja zelf een eindstrijd die aan de meet nog met de roeispanen werd uitgevochten. De eerste loods aan boord kreeg de opdracht.

Een derde type loodsboot, de klassieke loodskotter met één mast, het soort van schip dat wij nu aan het herbouwen zijn, werd dichter bij de kust ingezet bijvoorbeeld tussen de lichtschepen van de Westhinder en de Wandelaar. Die handige zeilboten deden vooral dienst om voor de aflossing van de loodsen op de grote schepen te zorgen.